Veluwse Israel Vrijstaat

Rapport over Falende Staten


Het volgende rapport is gemaakt door de AIV (Adviesraad Internationale Vraagstukken) en gaat over falende staten.
Het stuk hieronder is een gedeelte van het rapport. Het gehele rapport kunt u lezen via de volgende link:
www.kpsrl.org/browse/browse-item/t/falende-staten-een-wereldwijde-verantwoordelijkheid


I.3 Een institutionele (formele) en een functionele (materiële) benadering


Het internationale recht kent criteria voor het bepalen van ‘statehood’. Het Verdrag van Montevideo van 1933 reflecteert nog altijd de basiscriteria:

- er moet sprake zijn van een permanente bevolking;
- er moet sprake zijn van een gedefinieerd grondgebied;
- er moet sprake zijn van een regering die gezag uitoefent over zijn grondgebied; en
- er moet sprake zijn van een bekwaamheid om betrekkingen met andere staten aan te gaan (het criterium van de onafhankelijkheid).3

Deze basiscriteria, die betrekking hebben op de effectiviteit van de entiteit die rechten en plichten van een staat claimt, zijn later aangevuld met andere criteria van een meer politiek en moreel karakter, namelijk:
- onafhankelijkheid dient te zijn verkregen in overeenstemming met de beginselen van zelfbeschikking;4 en

3 ‘The State as a person of international law should possess the following qualifications: (a) a permanent population; (b) a defined territory; (c) government; and (d) capacity to enter into relations with other States’. Aldus artikel I van de Montevideo Convention on Rights and Duties of States, getekend op 26 december 1933. Zie ook: J. Crawford, The Creation of States in International Law, Oxford, OUP, 1979. I. Brownlie, Principles of Public International Law, 6th ed., Oxford, 2003, p. 71, specificeert het derde element aldus: ‘The existence of effective government, with centralized administrative and legislative organs, is the best evidence of a stable political community.’
4 Zie D.J. Harris, Cases and materials on international law, Londen, Sweet & Maxwell, 5th ed., 1998, pp. 102 en 111, P.H. Kooijmans, Internationaal publiekrecht in vogelvlucht, 9e druk, Deventer, Kluwer 2002, p. 27 en M.N. Shaw, International Law, Grotius Cambridge 1997, pp. 145 en 146. Toen in 1965 het blanke minderheidsregime in de Britse kolonie Rhodesië zich eenzijdig onafhankelijk verklaarde, riep de


- onafhankelijkheid mag niet zijn verkregen ter verwezenlijking van een racistisch beleid.5

Gelet op de ruime meerderheid van staten die zich achter deze criteria heeft geschaard, kan worden gesteld dat deze voor de bepaling van ‘statehood’ als juridische voorwaarden naast de basiscriteria van het Verdrag van Montevideo zijn gaan gelden.
Naar aanleiding van het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en Joegoslavië hebben de lidstaten van de EU een aantal aanvullende politieke criteria geformuleerd voor de erkenning van nieuwe staten in Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie. Zo dient een nieuwe staat, wil hij door de EU erkend worden:

- de democratische principes, de rechten van de mens en de rechten van minderheden en etnische groeperingen te respecteren;
- het beginsel te aanvaarden dat de grenzen niet op gewelddadige wijze mogen worden gewijzigd en daartoe alle afspraken gemaakt over de veiligheid en stabiliteit binnen de regio te accepteren; en
- alle ontwapeningsafspraken, gemaakt door de voorganger-staat, over te nemen.6

Het niet voldoen aan deze criteria betekent niet dat er juridisch geen sprake is van een staat. Erkenning van deze nieuwe staten door lidstaten van de EU had vóór alles een declaratoir karakter; erkenning behelsde vooral de bereidheid om met die staat betrekkingen aan te gaan.7

Als een staat eenmaal bestaat (‘statehood’ heeft verworven), dan tast een tijdelijke verstoring van de effectiviteit van het gezag, bijvoorbeeld door interne onrust, burgeroorlog of vijandige militaire bezetting, het staatskarakter niet aan. Zelfs wanneer er sprake is van langdurige anarchie en het feitelijk ineenstorten van een staat als organisatie, zoals in Somalië of Sierra Leone, is men er in de statenpraktijk niet toe overgegaan het staatskarakter van het betrokken gebied te ontkennen.8 Niettemin zal de feitelijke situatie het onderhouden van normale betrekkingen kunnen verhinderen. De criteria van Montevideo passen bij de institutionele (formele) benadering van het begrip staat. De staat moet een eigen bestaan en identiteit hebben en mag bijvoorbeeld geen deel uitmaken van het privé-vermogen van een heerser of louter diens instrument zijn.
De instituties moeten een constante factor vormen in het bestaan van de staat. Mensen lossen elkaar af binnen deze instituties. Eén van de staatsorganen is de regering die daadwerkelijk en effectief gezag uitoefent over het grondgebied. Daarvan is sprake als de regering het geweldsmonopolie bezit en als institutie keuzen maakt en zorgt dat deze effect hebben.

Veiligheidsraad alle staten op tot niet-erkenning. Evenzo riep de Veiligheidsraad op tot niet-erkenning van de Turkse Republiek van Noord-Cyprus die op 15 november 1983 de onafhankelijkheid uitriep.
5 Zie AVVN Resolutie van 26 oktober 1976 waarin wordt opgeroepen Transkei niet als staat te erkennen nadat Zuid-Afrika het als eerste zwarte ‘thuisland’ de onafhankelijkheid had verleend. Zie ook Harris, idem, pp. 102, 110 en 111.
6 Bull. EG 12-1991, pp. 120 en 121.
7 Zie P.H. Kooijmans, Internationaal publiekrecht in vogelvlucht, 9e druk, Deventer, 2002, pp. 24-27.
8 Zie Kooijmans, idem, p. 21; I. Brownlie, Principles of Public International Law, 6th ed., Oxford, 2003, p. 80 en D.J. Harris, Cases and materials on international law, Londen, Sweet & Maxwell, 1998, p. 82.


Een andere benadering gaat niet uit van institutionele kenmerken, maar van de taken van een moderne staat. Dit is de materiële of functionele benadering.9 Daarmee worden inhoudelijke eisen aan de staat gesteld wat de resultaten betreft van het staatshandelen voor de burger. De essentiële taken van een staat zijn het handhaven van veiligheid en openbare orde en het leveren van publieke diensten zoals infrastructuur, onderwijs en gezondheidszorg. Uiteraard bestaan verschillende opvattingen over welke diensten de staat moet leveren of mogelijk maken. Bestaande staten zijn meer of minder succesvol in het vervullen van deze taken. Er zijn steeds meer, al dan niet bindende, normen ontstaan. De staat moet verdragsverplichtingen nakomen, de staat moet de rechten van de mens naleven, de staat moet een rechtsstaat zijn, de staat moet ‘good governance’ praktiseren, de staat moet bijdragen aan een gezamenlijke inspanning om de wereld veiliger en leefbaarder te maken (milieu, veiligheid, ontwikkeling, et cetera).
Gemeten naar dergelijke maatstaven zal een staat al snel tekortschieten.